Vandaag is een nieuw stuk van mij in première gegaan: Seltsam, im Nebel zu wandern, op een tekst van Herman Hesse. Luister hier naar de opname van de fantastische Utrechtse Studenten Cantorij onder leiding van Fokko Oldenhuis in de Pieterskerk van Utrecht:

© Martijn Hak

Ik schreef het werk afgelopen zomer als inzending voor de componistencompetitie uitgeschreven door de Utrechtse Studenten Cantorij. Uit 27 inzendingen werd mijn werk (samen met dat van vier anderen) gekozen om opgenomen te worden in hun nieuwe programma Standing Naked. In december ben ik als componist op bezoek geweest bij de USC om het werk toe te lichten… én het voor het eerst te horen!

Toelichting

Seltsam, im Nebel zu wandern is een werk voor zesstemmig koor (SMzATBarB) op de eerste strofe van Im Nebel, een van de beroemdste gedichten van Hermann Hesse. Het gedicht uit 1905 raakt direct: beknopt en mysterieus ineen behandelt het eenzaamheid en individualisme in de romantische jas van de natuurmetafoor. Hesse voegt er in de eerste strofe een extra wisselwerking aan toe: het zijn eerst de struiken, bomen en stenen die antropomorfische eigenschappen toegedicht krijgen – ze zien elkaar niet en zijn eenzaam – voor ze op hun beurt later in het gedicht metafoor staan voor de eenzaamheid van de mensen.

Met het neoromantische karakter van Im Nebel correspondeert en neoromantische stijl in Seltsam, im Nebel zu wandern. Het teruggrijpen van Hesse op romantische thematiek en een traditionele vorm als kruisrijm is verklankt in de overwegend functionele harmonie en klassieke vormen als de koraalzetting en fugatische stemmen. Het stuk opent met een orgeltoon door de lage stemmen, gevolgd door de eerste regel van het gedicht in wisselzang. De verwondering van de lyrische ik klinkt in de plotselinge grote terts; de uitgestrektheid van de natuur in de tonencluster; het moment van realiseren van de eenzaamheid in het forte-piano. De ernstige natuurmetafoor klinkt unisono en herhaalt zich tweemaal als echo.

In het fugatische allegro in driekwartsmaat blikt de lyrische ik vertwijfeld om zich heen en ziet als het ware stenen en struiken die allemaal op elkaar gelijken. De inmiddels dwangmatige gedachte dringt zich op in duolen in de lage stemmen en voert na het crescendo de boventoon. Een nieuwe gedachte – de bomen zien elkaar niet – dringt zich op in de onderstemmen, al rijmt ze inhoudelijk met de eenzaamheid van struik en de parallel met de menselijke conditie overvalt de dichter. Weerstand bieden tegen zijn intrusieve gedachten kan hij niet meer; gedwongen legt hij zich neer bij zijn conclusie: jeder ist allein.